Een verhaal over geur, migratie en wat we onszelf opnieuw geven
Ergens in mijn herinnering staat een meisje van negen tussen de rozen. Ze houdt zich half verborgen achter de struik, haar gezicht tegen de bloemen gedrukt. Op de achtergrond loopt de hond van haar buurvrouw — een grote, donkere herder waar ze doodsbang voor is. En toch staat ze daar. Want de rozen van haar buurvrouw zijn mooier dan die in haar eigen tuin. En de geur trekt sterker dan de angst.
Dat meisje was ik. En zonder dat ik het wist, leerde ik die middag iets wat de rest van mijn leven mijn relatie tot de wereld zou bepalen: dat geur sterker is dan vrees. Dat sommige verlangens je naar plekken brengen waar je verstand zegt dat je niet hoort te zijn.

De eerste tuin
Ik groeide op in de jaren ’80, in een wereld zonder telefoons, zonder internet, zonder schermen die om aandacht vroegen. Wat er was, was buiten. En buiten was vooral: geur.
Wij hadden zelf een grote tuin met fruit en groente. Maar het was de tuin van mijn buurvrouw die mij riep. Daar groeiden rozen die dieper roken dan welke andere bloem ik kende — roze, zwaar, bijna donker van geur. Ik leerde een truc die toen alleen van mij was: ik trok kleine blaadjes van de rozen en stopte ze in mijn neusgaten. Niet voor even — voor de hele dag. Ik liep met rozen in mijn neus door de hele buurt, ademde diep in, en de wereld was van mij.
Wat ik toen niet wist: ik deed precies wat parfumeurs al duizenden jaren doen. Een geur niet bezoeken, maar dragen. Een vluchtig moment vastpinnen aan je eigen lichaam zodat het mee kan reizen door de dag.
Tussen die rozen, en achter de struik waar de hond niet kwam, ontstond mijn eerste tuin. Niet de tuin van planten, maar de tuin in mij — een innerlijke ruimte waar geur, gevaar, schoonheid en kindertijd bij elkaar woonden.
De tweede tuin
In 2000 verliet ik mijn geboorteland. Sindsdien woon ik in Nederland. Wat me verraste was niet wat ik miste — dat had ik verwacht. Wat me verraste was wat ik hier ontdekte: geuren waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden, kwamen plotseling mijn leven binnenwaaien.
De Nederlandse sering ruikt anders dan welke sering ik ooit eerder had geroken. Voller, koeler, met een spoor van regen erin. Het versgebakken brood uit de bakkerij waar ik langsfiets op weg naar mijn werk, dat al vroeg de straat invult met een geur die niet roept maar uitnodigt. En — het meest verrassend — thee. Vooral zwarte thee, met citroen. Ik wist niet, toen ik hier aankwam, dat ik zo veel van thee-geuren zou houden. Dat is iets wat Nederland mij over mezelf heeft geleerd, niet andersom.
Dit is de stille waarheid van verhuizen die migranten zelden uitspreken: je nieuwe land vervangt het oude niet. Het vermenigvuldigt je. Sommige delen van wie je bent ontdek je pas wanneer je oude leven achter je ligt, omdat je oude omgeving daar simpelweg de ruimte niet voor bood.
Mijn eerste twee parfumaankopen in Nederland — dat herinner ik me nog precies — waren geen Nederlandse bloemen, geen sobere klassiekers. Het waren twee niche-parfums van de Franse parfumeur Serge Lutens. Jeux de Peau rook voor mij naar versgebakken brood bovenop de roomboter van mijn oma. Geen marketingtekst, geen catalogus — een ochtend in een keuken die alleen ik nog ken. Chergui was anders: daarin rook ik hooi en vuur in de avond. Niet de woestijn waar de parfum naar vernoemd is, maar droog gras dat een hele zomerdag in de zon heeft gelegen, en ergens een vuur dat smeult terwijl het licht weggaat.
Ik kocht een parfum dat een ochtend bij mijn oma was. En een parfum dat een avond ergens vroeger was. Pas veel later begreep ik wat ik onbewust deed: ik bouwde geur-bruggen tussen mijn oude en nieuwe leven. Niet om vast te houden wat ik had achtergelaten, maar om een plek te maken waar beide werelden naast elkaar konden bestaan.
Zo ontstond mijn tweede tuin: een gebouwde, gekozen tuin van meer dan driehonderd parfums. Geen tuin van bloed of geschiedenis, maar van keuze. Een tuin die ik zelf, flesje voor flesje, had geplant.

De geur die verdween
In het voorjaar van 2020 brak corona uit in het ziekenhuis waar ik werk. Niemand was nog gevaccineerd, en wij begrepen het virus pas half. Op een dag liep ik het op — zoals zoveel zorgmedewerkers in die weken. Eerst leek er niets aan de hand: ik dacht aan een verkoudheid, aan vermoeidheid.
Tot ik in de keuken stond, uien aan het bakken. En plotseling was er alleen gebakken ui. Geen ander voedsel, geen koffie, geen brood, geen bloemen op tafel. De wereld was één geur geworden. En die ene geur — gebakken ui — zou ik de volgende zes maanden overal blijven ruiken. In mijn parfums. In het douchewater. In mijn kinderen wanneer ik ze omhelsde.
Wat niemand ziet als je je reuk verliest, is hoeveel het kost om hem terug te vragen. Zes maanden lang deed ik dagelijks mijn best om iets te ruiken — bewust, geconcentreerd. En ik betaalde ervoor: met hoofdpijn-avonden, met een vermoeidheid in een deel van mijn hoofd waarvan ik niet wist dat het bestond. Ruiken is geen passieve handeling, leerde ik. Het is werk dat je doet zonder het te merken — totdat het weer zichtbaar wordt.
Wat ik toen niet wist, en later in onderzoek las: ik was geen uitzondering. Wat ik had, heet parosmie — een vervormde reuk waarin vertrouwde geuren plotseling anders en vaak onaangenaam ruiken (anders dan phantosmie, waarbij je een geur ruikt die er niet is). Ui, knoflook, koffie en gebraden vlees behoren tot de meest gemelde triggers; mijn gebakken ui was dus pijnlijk representatief. Parosmie ontstaat vaak in de herstelfase, gemiddeld zo’n drie maanden na de infectie — al varieert dit sterk per persoon. Het mechanisme begint bij de steuncellen: het virus tast vooral deze verzorgende cellen rondom de reukzenuwcellen aan, niet de zenuwcellen zelf, waardoor de reuk eerst wegvalt. Parosmie ontstaat vermoedelijk daarna, wanneer het reuksysteem zich tijdens het herstel onvolledig ‘herbedraadt’.
De wetenschap noemt het een aandoening. Voor mij voelde het als een rouwproces. Een mens met meer dan driehonderd parfums in haar kast die plotseling niets meer kan ruiken — dat is een wereld die kleiner wordt zonder dat de muren bewegen. Mijn tweede tuin viel stil. Halverwege verkocht ik bijna de helft van mijn collectie; ik kon er niet naar kijken zonder iets te voelen waar ik geen woord voor had.
De terugkeer
Zes maanden gingen voorbij. Toen, op een ochtend, spoot ik een parfum dat al maanden onaangeroerd op een plank stond: Gris Dior. En ik rook iets. Niet alles, niet meteen — een vleugje, een randje van wat het ooit was. Maar het was niet gebakken ui. Het was iets eigens. Iets van Gris Dior zelf.
Jeetje, wat was ik dolgelukkig.
Sindsdien is Gris Dior mijn nummer één. Niet omdat het wetenschappelijk het beste parfum is dat ooit gemaakt werd — dat is een onmogelijke claim — maar omdat het de eerste was die terugkwam. De eerste die zei: je zintuiglijke wereld is niet definitief gestorven. Er is een weg terug. Beetje voor beetje keerden meer geuren terug. Niet alles, niet altijd in volle diepte. Maar genoeg om opnieuw te bouwen.

De derde tuin
Wat ik na COVID langzaam ben gaan begrijpen is dit: een mens heeft niet één tuin in haar leven, maar minstens drie.
De eerste tuin is die waarin je opgroeit. De geuren die je niet kiest, die er gewoon zijn — de rozen van een buurvrouw, vers brood in een keuken die niet van jou is maar wel jouw plek werd. Die tuin krijg je voor niets, en je verliest hem onvermijdelijk: door de tijd, door verhuizing, door de eenvoudige werkelijkheid dat kinderen volwassen worden.
De tweede tuin is die je bouwt wanneer je opnieuw begint. Voor mij waren dat Nederlandse seringen die ik eerst niet kon benoemen, thee waarvan ik niet wist dat ik hem zou liefhebben, parfums die geen Nederlandse voorouder hadden maar tussen twee landen een eigen plek vonden. Een tuin van keuze, van moed, van bereidheid om toe te laten wat je nog niet kent.
De derde tuin is degene die je opnieuw bouwt nadat je iets bent kwijtgeraakt. Voor mij was dat na COVID. Voor anderen is het na een scheiding, een verlies, een ziekte, een gebroken jaar. Het is de tuin die je plant wanneer je weet dat tuinen kunnen verdwijnen — en je toch besluit te planten. Niet omdat je hebt vergeten wat verloren ging, maar juist omdat je het je herinnert.
In mijn derde tuin staan minder parfums dan in mijn tweede. Maar elk flesje staat er met een reden. Gris Dior staat vooraan. Jeux de Peau ernaast — nog steeds versgebakken brood op de roomboter van mijn oma. Chergui erbij — nog steeds hooi en vuur in de avond. De rozen uit de tuin van mijn buurvrouw zijn er ook, op een andere manier, in andere flesjes, in andere talen.
Onder parfumliefhebbers is er één vraag die bijna altijd lastig is: “Wat is je lievelingsgeur?” De meeste verzamelaars die ik ken kunnen hooguit een top vijf noemen. Maar voor mij is die vraag, sinds 2020, makkelijk geworden. Niet omdat ik de andere niet liefheb, maar omdat één parfum mij iets gaf wat geen ander kan zeggen: je bent niet voorgoed gestopt met ruiken. Welkom terug.
Tot slot
Als je dit leest en je hebt zelf iets verloren — een gevoel, een ervaring, een vermogen, een mens, een geur — wil ik je dit zeggen: je tuin is niet gestorven. Hij is veranderd. En de versie die je nu kunt bouwen — met wat je weet, met wat je hebt overleefd, met wie je vandaag bent — is op een manier rijker dan elke versie ervoor. Niet omdat verlies mooi is, maar omdat een tuin geplant ná verlies een keuze is, en kindertijdgeuren dat nooit zijn.
Het meisje tussen de rozen wist het niet, toen ze daar stond. Maar ze leerde die middag iets wat waar zou blijken: geur is sterker dan vrees. Ook wanneer de vrees groot is. Ook wanneer de hond donker en dichtbij is. Ook wanneer alles wat je ooit kon ruiken verdwenen lijkt.
Er is altijd een eerste geur die terugkomt. Voor mij was het Gris Dior. Wat zou het voor jou kunnen zijn?
Verder lezen
Bronnen & verantwoording
De persoonlijke herinneringen in dit verhaal zijn van mij. De wetenschappelijke uitspraken over reukverlies en parosmie zijn gebaseerd op de onderstaande, peer-reviewed bronnen. Dit is geen medisch advies: heb je zelf last van reukverlies of parosmie, bespreek dat dan met je huisarts.
- Brann DH, Tsukahara T, Weinreb C, et al. Non-neuronal expression of SARS-CoV-2 entry genes in the olfactory system suggests mechanisms underlying COVID-19-associated anosmia. Science Advances. 2020;6(31):eabc5801. doi:10.1126/sciadv.abc5801
- Walker A, Kelly C, Pottinger G, et al. Parosmia—a common consequence of covid-19. BMJ. 2022;377:e069860. doi:10.1136/bmj-2021-069860
- Parker JK, Kelly C, Gane S, et al. Insights into the molecular triggers of parosmia based on gas chromatography olfactometry. Communications Medicine. 2022;2(1). doi:10.1038/s43856-022-00112-9
- Karamali K, Elliott M, Hopkins C. COVID-19 related olfactory dysfunction. Current Opinion in Otolaryngology & Head and Neck Surgery. 2022;30(1):19–25. doi:10.1097/MOO.0000000000000783


Geef een reactie