Een eerlijke deep dive over empathie, psychic numbing en de rekenkunde van mededogen
In het begin had elke dode nog een gezicht.
Ik herinner me de eerste weken van de pandemie nog scherp. Niemand in het ziekenhuis waar ik werk was gevaccineerd, er wás nog geen vaccin. Op het journaal vielen de eerste doden. Ik keek ernaar en mijn adem stokte even. Dit is dodelijk, dacht ik. Ik leefde mee met elke overledene, met elke familie. Collega’s wereldwijd liepen rond met diepe drukplekken in hun gezicht van de maskers. Elke naam, elk verhaal kwam binnen.
En toen kwamen er meer. En meer. En meer.

Er kwam een moment, en ik schaam me bijna om het zo eerlijk op te schrijven, waarop het bijna gewoon werd dat iemand stierf. Het gesprek ging niet meer over één mens, maar over capaciteit, over bedden, over waar we de overledenen moesten laten omdat er geen plek meer was. Een moeder, een vader, een kind, een oma, een opa: het wás er, en tegelijk verdween het achter het volgende getal.
Tot ik zelf een paar dagen benauwd werd. En voor het eerst dacht ik: misschien word ik straks zélf één van die cijfers die elke avond op tv voorbijkomen.
Op dat moment begreep ik iets ongemakkelijks over de menselijke geest. Iets waar de wetenschap een naam voor heeft.

Het gezicht en het getal
Stel je twee berichten voor.
In het eerste lees je over Rokia, een zevenjarig meisje uit Mali. Je ziet haar foto. Ze heeft honger. Jouw gift gaat rechtstreeks naar haar.
In het tweede lees je dat in de Sahel miljoenen kinderen honger lijden. Cijfers, percentages, een kaart.
Wie krijgt jouw geld?
Bijna iedereen kiest Rokia. En het ongemakkelijke is: dat is precies omgekeerd aan wat een rekensom zou voorschrijven. Het ene meisje raakt ons; de miljoenen laten ons, eerlijk gezegd, vaak koud.
Dit is geen karakterfout van slechte mensen. Het overkomt juist de góede, betrokken mensen. Psycholoog Paul Slovic gaf het een naam die blijft hangen: psychic numbing, een geleidelijke gevoelsverdoving naarmate de aantallen groeien. Hij ontleende de titel van zijn beroemde artikel uit 2007 aan een uitspraak die hij toeschrijft aan Moeder Teresa: “Als ik naar de massa kijk, kom ik nooit in actie. Als ik naar de één kijk, wel.” (Of Moeder Teresa dat letterlijk zo zei, is overigens niet hard te bewijzen, ik vermeld het zoals Slovic het zelf presenteert.)

Rokia: hoe één meisje meer losmaakt dan een heel continent
Het Rokia voorbeeld is geen verzinsel. Het komt uit een echt experiment van Deborah Small, George Loewenstein en Paul Slovic (2007). Deelnemers die over één identificeerbaar kind lazen, gaven meer dan deelnemers die dezelfde nood in statistieken voorgeschoteld kregen. Sterker nog: zodra de onderzoekers de feiten en cijfers erbij legden, dáálde de gulheid. Het nadenken over getallen koelde het gevoel af.
Een paar jaar eerder hadden Tehila Kogut en Ilana Ritov (2005) iets vergelijkbaars gevonden, maar nóg scherper. Eén geïdentificeerd kind riep méér op dan een groep van acht geïdentificeerde kinderen. Niet de identificatie op zich deed het werk, maar de enkelvoudigheid, wat zij het singularity effect noemden. Eén gezicht is een heel universum; acht gezichten worden al een menigte.
Hier hoort meteen een eerlijke kanttekening bij, want die maakt dit verhaal sterker in plaats van zwakker. In 2024 probeerde een onderzoeksteam dit klassieke effect opnieuw te meten (een replicatie in hetzelfde vakgebied), en zij vonden het niet terug in dezelfde vorm. Dat betekent niet dat het hele idee onzin is; het bredere patroon van “de één boven de velen” is in veel studies wél teruggevonden. Maar het betekent wel dat we voorzichtig moeten zijn met stellige uitspraken. De psychologie is geen exacte natuurkunde. Een eerlijk verhaal laat die scheurtjes zien.
De rekenkunde van mededogen
Slovic vatte het samen in een zin die je niet meer loslaat: the more who die, the less we care, hoe meer er sterven, hoe minder het ons raakt.
Dat klinkt monsterlijk. En toch herken je het misschien.
Het verschil tussen nul en één slachtoffer voelt enorm. Het verschil tussen één en twee voelt al kleiner. En het verschil tussen 87 en 88 doden? Dat voelen we nauwelijks nog. Onze gevoelens reageren prachtig op het eerste leven, en worden daarna bijna doof voor elk volgend leven. Daniel Västfjäll en collega’s (2014) lieten zelfs zien dat het afkoelen al kan beginnen bij het tweede kind. Ze noemden het treffend compassion fade: mededogen dat vervaagt.

Misschien ken je de uitspraak: “Eén dode is een tragedie, een miljoen doden is een statistiek.” Die wordt bijna altijd aan Stalin toegeschreven. Maar daar klopt vrijwel niets van. De vroegste versie staat in een tekst van de Duitse journalist Kurt Tucholsky uit 1925, in de mond van een naamloze Franse diplomaat. Russische historici vinden de zin nergens bij Stalin terug. Zelfs Steven Pinker noemt het citaat “ten onrechte aan Stalin toegeschreven”, en voegt eraan toe dat het, hoe vals de bron ook is, wél een echt feit over de menselijke psychologie vangt. Een mooie les: een citaat kan tegelijk onecht én waar zijn. Daarom controleer ik liever de bron.
Een brein uit het stenen tijdperk
Waarom zit ons gevoel zo in elkaar? Een deel van het antwoord ligt waarschijnlijk heel ver terug.
Het grootste deel van de menselijke geschiedenis leefden we in kleine groepen. Je kon één ziek kind zien, één gewonde jager, één hongerige buur. Je kón helemaal geen tienduizend slachtoffers zien, ze bestonden niet in jouw wereld. Ons empathiesysteem lijkt dus gebouwd voor individuen en bekenden, niet voor miljoenen onbekenden of een klimaatstatistiek.
Antropoloog Robin Dunbar opperde in 1992 dat de mens maar met een beperkt aantal mensen een stabiele band kan onderhouden, een getal dat beroemd werd als “Dunbar’s number”, vaak afgerond op ongeveer 150.
En ook hier hoort eerlijkheid bij: dat getal is betwist. Een heranalyse uit 2021 vond met andere statistische methodes totaal andere uitkomsten en concludeerde dat het noemen van één vast getal eigenlijk “zinloos” is. Dus: het idee dat onze sociale en emotionele bandbreedte begrensd is, staat redelijk stevig. Het precieze cijfer “150” is veel wankeler dan posters op LinkedIn je doen geloven.
De kern blijft overeind, en die is ontroerend en ongemakkelijk tegelijk: misschien falen we niet omdat we slechte mensen zijn. Misschien proberen we met een brein dat gevormd is in kleine groepen een wereld van acht miljard mensen te begrijpen.
Aylan: het jongetje op het strand
Op 2 september 2015 ging een foto de hele wereld over: een Syrisch jongetje van drie, Aylan Kurdi, levenloos met zijn gezichtje in het zand van een Turks strand. Op datzelfde moment waren er in Syrië al honderdduizenden doden gevallen. Maar het was dít ene kind dat de wereld even wakker schudde.

Slovic en collega’s (2017) deden iets bijzonders: ze maten wat er daarna gebeurde. De donaties aan een Zweeds Rode Kruis-fonds voor Syrische vluchtelingen schoten omhoog. Het aantal mensen dat zich aanmeldde voor een maandelijkse gift werd in één maand bijna tien keer zo groot.
En toen, binnen enkele weken, zakte alles weer terug. De doden bleven vallen. De aandacht niet. Aylans eigen vader zou later zeggen dat zijn zoon “voor niets” was gestorven.
Dat is psychic numbing, live en gemeten. Niet in een laboratorium, maar in de echte wereld. Eén gezicht kan ons wakker maken. Maar het houdt ons niet wakker.
De schaduwzijde van empathie
Tot nu toe klinkt het alsof we gewoon méér empathie nodig hebben. Maar één denker zet daar een streep doorheen, en die verdient het om serieus genomen te worden.
Psycholoog Paul Bloom schreef een boek met een provocerende titel: Against Empathy (2016). Zijn punt is niet dat we wreed moeten worden. Zijn punt is dat empathie, het meevoelen mét één ander, een slecht kompas is voor morele beslissingen.
Hij vergelijkt empathie met een schijnwerper. Een schijnwerper laat één plek schitteren, en laat al het andere in het donker. Daardoor is empathie volgens Bloom:
- innumerate: ze kan niet tellen, en kiest bijna altijd de ene boven de velen;
- partijdig: we voelen meer voor wie op ons lijkt, onze taal spreekt, ons geloof of onze overtuiging deelt;
- kortzichtig: ze beloont wat nú voelbaar is, niet wat op lange termijn telt.
En — dit is het meest ongemakkelijke, empathie kan zelfs gewéld voeden. Diepe empathie voor “onze” mensen kan haat aanwakkeren jegens wie hen iets aandoet. Een meeslepend verhaal over één slachtoffer is door de eeuwen heen gebruikt om hele oorlogen te rechtvaardigen.
Blooms alternatief noemt hij rational compassion: vriendelijkheid en zorg, maar gestuurd door nadenken in plaats van door wie toevallig het hardst onze schijnwerper vangt.
Je hoeft het niet helemaal met Bloom eens te zijn, veel onderzoekers zijn dat ook niet. Een wereld zónder empathie heeft immers geen motor. Maar zijn waarschuwing blijft staan: empathie alléén is geen moreel kompas.
Wie bepaalt welk kind een gezicht krijgt?
En dan is er nog een vraag die mij persoonlijk het meest bezighoudt.
Want wíé beslist eigenlijk welk kind een gezicht krijgt?
Niet de werkelijkheid. De werkelijkheid is een doffe, oneindige stroom van leed. Het zijn journalisten, fotografen, redacties, activisten, politici en, steeds vaker, algoritmen die kiezen welk verhaal jij vandaag op je scherm ziet, en welke duizend verhalen je nooit te zien krijgt.

Kijk naar de oorlogen van dit moment. Sommige vullen maandenlang onze schermen. Andere, denk aan Soedan, met een van de grootste ontheemdingscrises ter wereld, blijven grotendeels onzichtbaar, ondanks enorme aantallen slachtoffers. Het leed schaalt niet mee met de aandacht. De camera kiest. En onze empathie volgt de camera.
Dat is geen politiek statement; het is een psychologisch feit. Wie het verhaal vertelt, stuurt voor een groot deel waar ons mededogen heen gaat. En dat geeft die verteller, mens of algoritme, heel veel macht. Macht waar we ons zelden bewust van zijn.
Arendt: het gevaar is niet kilte, maar gedachteloosheid
Toen Hannah Arendt in 1961 het proces van nazi-kopstuk Adolf Eichmann bijwoonde, verwachtte ze een monster te zien. In plaats daarvan zag ze een grijze, gewone ambtenaar. Daaruit kwam haar beroemde, en vaak verkeerd begrepen, uitdrukking: de banaliteit van het kwaad.
Arendts punt was niet dat het kwaad onschuldig is. Haar punt was subtieler en juist daardoor angstaanjagender. Het grootste gevaar, zag zij, was niet een gebrek aan gevoel. Het was gedachteloosheid, het vermogen om te stoppen met nadenken vanuit het standpunt van een ander. Niet kilheid, maar het uitzetten van de verbeelding.
Dat sluit pijnlijk mooi aan op alles hierboven. Psychic numbing is in zekere zin een milde, alledaagse vorm van precies dat: we stóppen met ons de mens achter het getal voor te stellen. Niet uit slechtheid. Uit zelfbescherming, uit overbelasting, uit gewoonte.
De remedie is dan misschien niet “voel meer”, dat kan ons brein domweg niet. De remedie is eerder: blijf denken. Blijf je, heel bewust, het ene gezicht achter het getal voorstellen, ook als de getallen te groot worden om te voelen.

De moeilijkste vraag
Ik wil eindigen met de vraag waar dit hele verhaal volgens mij om draait. Niet: waarom redden we één kind en vergeten we duizend onbekenden?
Maar: zou jij willen dat de wereld jóú als een statistiek behandelt?
Want daar zit de spanning. Rationeel weten we dat ieder mens evenveel waard is. Maar als jouw kind ziek wordt, wil je geen “één van de duizenden” zijn. Je wilt gezien worden. Als een heel universum, niet als een regel in een tabel.
Dat is wat ik leerde toen ik zelf een paar dagen benauwd in bed lag. Voor de statistiek was ik een mogelijk getal. Voor mezelf was ik alles wat ik ken. En achter élk getal in die avondjournaals zat precies datzelfde: iemand met herinneringen, kinderen, ouders, angsten, plannen voor volgende week.

Misschien is dat het eerlijkste wat we kunnen doen. Niet doen alsof we acht miljard mensen tegelijk kunnen voelen, dat kunnen we niet. Maar wél, af en toe, heel bewust, achter één getal weer een gezicht terugzetten.
Welke duizend mensen heb jij vandaag niet gezien, simpelweg omdat ze geen gezicht hadden?
Dit artikel gaat over psychologie en is geen medisch of psychologisch advies. Heb je zelf last van sombere gevoelens, angst of overbelasting na ingrijpende gebeurtenissen? Bespreek dat met je huisarts of een behandelend specialist.
Verder lezen
- Je brein is geen eerlijke getuige
- Het stille brein en het luide brein
- Waarom één “nee” al je “ja’s” lijkt uit te wissen
Bronnen
- Slovic, P. (2007). “If I look at the mass I will never act”: Psychic numbing and genocide. Judgment and Decision Making, 2(2), 79–95. (open access)
- Small, D. A., Loewenstein, G., & Slovic, P. (2007). Sympathy and callousness: The impact of deliberative thought on donations to identifiable and statistical victims. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 102(2), 143–153. https://doi.org/10.1016/j.obhdp.2006.01.005
- Kogut, T., & Ritov, I. (2005). The singularity effect of identified victims in separate and joint evaluations. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 97(2), 106–116. https://doi.org/10.1016/j.obhdp.2005.02.003
- Kogut, T., & Ritov, I. (2005). The “identified victim” effect: an identified group, or just a single individual? Journal of Behavioral Decision Making, 18(3), 157–167. https://doi.org/10.1002/bdm.492
- Västfjäll, D., Slovic, P., Mayorga, M., & Peters, E. (2014). Compassion fade: Affect and charity are greatest for a single child in need. PLOS ONE, 9(6), e100115. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0100115
- Slovic, P., Västfjäll, D., Erlandsson, A., & Gregory, R. (2017). Iconic photographs and the ebb and flow of empathic response to humanitarian disasters. PNAS, 114(4), 640–644. https://doi.org/10.1073/pnas.1613977114
- Dunbar, R. I. M. (1992). Neocortex size as a constraint on group size in primates. Journal of Human Evolution, 22(6), 469–493. https://doi.org/10.1016/0047-2484(92)90081-J
- Lindenfors, P., Wartel, A., & Lind, J. (2021). ‘Dunbar’s number’ deconstructed. Biology Letters, 17(5), 20210158. https://doi.org/10.1098/rsbl.2021.0158
- Bloom, P. (2016). Against Empathy: The Case for Rational Compassion. New York: Ecco/HarperCollins.
- Arendt, H. (1963). Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil. New York: Viking Press.
- Pinker, S. (2011). The Better Angels of Our Nature. (over de valse toeschrijving van het “Stalin”-citaat) — vroegste vindplaats: K. Tucholsky, “Französischer Witz” (1925).
- Mislukte replicatie (singularity/identified-victim effect): “Revisiting the impact of singularity on the Identified Victim Effect” (2024), Judgment and Decision Making.


Geef een reactie